Er zijn 3 manieren om een dier onder algehele anesthesie te brengen en te houden. 
 
1. Injectienarcose waarbij anesthetica (Domitor + Ketamine) met een injectiespuit intramusculair in spierweefsel wordt gebracht. 
 
2. Gasanesthesie waarbij verdovende gassen (Isofluraan) via een masker of een buis (een "tube") in de luchtpijp door de patiënt worden ingeademd en, net als zuurstof, via de longen in het bloed terecht komen. 
 
3. TIVA (= Totale Intra Veneuze Anesthesie). Hierbij wordt het anesthesiemiddel (Propofol) via een infuuspomp, die via een infuuslijn verbonden is aan een buisje (braunule), in het bloedvat in de voorpoot, in het dier gebracht. 
 
Bij de injectienarcose wordt dus anesthetica in een spier gespoten. Wanneer we een middel in een spier spuiten wordt het geleidelijk in het bloed opgenomen. In de praktijk wordt bij de intramusculaire anesthesie over het algemeen geen onderscheid gemaakt tussen premedicatie, inleiding en onderhoud, maar wordt alles in 1 injectie gegeven.
 
Bij gasanesthesie en TIVA wordt er wel een onderscheid gemaakt tussen premedicatie, inleiding en onderhoud.
 
   

Gasanesthesie via tube in de luchtweg en onze bewakingsmonitor om alles goed in de gaten te kunnen houden

Premedicatie
 
Door een premedicatie wordt excitatie (opgewondenheid, stress) tijdens de inleiding voorkomen en omdat deze injectie meestal langer werkt dan de anesthetica geldt dit ook tijdens de recovery. Enige tijd na de premedicatie-injectie slapen de dieren meestal, maar reageren ze nog wel op pijnprikkels. Hoewel ze volledig "van de wereld" lijken, zijn de dieren niet geschikt om operaties op uit te voeren. 
 
De premedicatie bij gasanesthesie en TIVA bestaat uit een combinatie van 3 middelen: domitor (hele lage dosis), dormicum en ketamine (hele lage dosis). Deze worden in de spier ingespoten. Het duurt ongeveer 10 minuten tot de dieren rustig/slaperig worden.
 
Inleiding
 
Zodra het dier voldoende gesedeerd is door de premedicatie wordt het op tafel gelegd. Er wordt een buisje (braunule) aangebracht in het bloedvat van de voorpoot. Dit buisje wordt verbonden met een infuusslang. De infuusslang is vervolgens langs een zijde verbonden met een infuuspomp die infuusvocht (NaCI = Natriumchloride) tijdens de ingreep in het bloedvat pompt en langs de andere zijde verbonden met een spuitpomp die het anesthesiemiddel (Propofol) druppelsgewijs ook in het bloedvat pompt. Door de Propofol wordt het dier ingeleid en komt het diep genoeg inslaap om een buisje (tube) in de luchtpijp te kunnen aanbrengen.
 
Onderhoud
 
In geval van gasanesthesie wordt het dier onder narcose gehouden door Isofluraan gas dat middels een tube via de luchtpijp, die verbonden is aan het anesthesieapparaat, wordt ingebracht.   
In geval van TIVA wordt het dier onder anesthesie gehouden door de Propofol, die door middel van een spuitpomp druppelsgewijs in het lichaam wordt gepompt.                                                                                   
 
In beide gevallen krijgt het dier zuurstof via een tube in de luchtpijp, die door middel van een slang aan het anesthesie apparaat is gekoppeld. Tevens wordt het dier aan bewakingsmonitor gelegd, zodat de ademhalingsfrequentie, het CO2 gehalte in de uitgeademde lucht, de lichaamstemperatuur, de pols en ECG (hartfilmpje) gezien en gemeten kunnen worden. Deze controle door een bewakingsmonitor is er in de regel bij injectienarcose niet.
 
Gasanesthesie via een mondkapje die we gebruiken bij kleine dieren zoals cavia's en konijnen
 
Bij de injectienarcose is nauwkeurige regulatie van anestheticum niet goed mogelijk. Wanneer de injectie is gegeven, kun je de narcose er niet meer uit halen. Er kan enkel bij gespoten worden indien de injectie niet voldoende is of de operatie langer duurt dan gepland. 
 
Deze nauwkeurige regulatie is wel mogelijk bij TIVA en gasanesthesie. Door de gas- of propofol toevoer goed in te stellen kan de aanvoer van anestheticum in principe exact worden afgestemd op de afbraak in het lichaam van de patiënt. Sterker nog, door de kraan verder open of dicht te draaien kan de concentratie, en daarmee de diepte, van de anesthesie nog verhoogd of verlaagd worden. Op deze manier hoeft de patiënt nooit meer van het anestheticum binnen te krijgen dan strikt noodzakelijk is. 
 
  
Onze bewakingsmonitor met Isofluraangas en onze spuitpomp voor het infuus en voor het toedienen van de Propofol
 
Recovery
 
Ook bij het ontwaken uit de anesthesie zijn er verschillen tussen de methoden. Na afloop van de operatie moet bij de injectienarcose het gebruikte anestheticum grotendeels worden afgebroken en uit gescheiden door de lever voordat de patiënt weer bij bewustzijn komt. Dit kan enkele uren duren. 
 
Bij de gasanesthesie en TIVA gaat dit aanmerkelijk sneller. Over het algemeen is de anesthesie binnen twee minuten na het dichtdraaien van de kraan verdwenen. Omdat de recovery tijd bij het gebruik van gasanesthesie en TIVA veel korter is, zien we in de regel veel minder maag-darmklachten bij deze twee methoden.